Sylvia Evers

Room full at once

expositie in de Koornmarktspoort, Kampen

openingsrede Peter Delpeut

 

Alle goede kunst stelt ons vragen, of ik zou eigenlijk moeten zeggen ‘stelt ons voor raadsels’. En dan denk ik niet aan rebussen of puzzeltjes zoals ‘zoek de verschillen’, maar ik denk aan het Engelse woord ‘puzzled’: we zijn verbaasd, verwonderd, verward. We weten niet zo goed wat we moeten denken, maar het laat ons niet los. Goede kunst achtervolgt je, ook als je je hoofd afwendt op zoek naar een andere indruk. Goede kunst prikt in je rug, zegt tegen je: ‘Mij zul je echt niet vergeten, ook al kijk je nog zo snel de andere kant op.’

 

Ik ben ervan overtuigd dat u dat ook zal overkomen met de werken die hier van Sylvia Evers te zien zijn. Ze prikken in je rug, ze achtervolgen je, u gaat de indrukken van die beelden nog zeker een paar dagen met u meedragen, en misschien zelfs wel langer.

 

Daar zouden we het bij kunnen laten. U gaat deze prachtige, sfeervolle ruimtes in en u laaft u aan het onbestemde gevoel iets te zien dat intrigeert, maar zich niet direct weggeeft, zich niet als een rebus laat oplossen.

 

De taal schiet te kort dit gevoel te beschrijven, vermoed ik. En waarom zou het ook nodig zijn het te benoemen? Kunst die niet voor zichzelf spreekt, die niet zijn eigen taal creëert, is geen goede kunst. En als iets meteen opvalt dan wel dat Sylvia Evers een universum oproept dat onmiskenbaar het hare is. We zijn haar gasten, gasten in haar betoverde wereld waarvan de formules alleen aan haar bekend zijn. Daarin mogen we ronddwalen, maar om het te beschrijven, het te benoemen, ik weet niet of daar woorden voor te vinden zijn.

 

Ik ben bang dat Sylvia me daar niet mee laat wegkomen. Kunstenaars willen altijd dat iemand hun tentoonstelling met woorden opent. Stiekem hopen ze, denk ik, op iets dat het raadsel duiding geeft. Misschien omdat ze zelf ook niet echt weten waar hun eigen taal vandaan komt.

 

Ik ga je dus maar meteen teleurstellen Sylvia: ik heb ook geen flauw idee waar jouw taal, jouw toverwereld vandaan komt. Maar ik kan wel proberen iets te zeggen over wat mij overkomt als ik naar je werk kijk.

 

Allereerst weet ik niet waar ik naar kijk. Kijken begint altijd bij houvast zoeken: we vallen immers niet graag om. Dat houvast is er niet.

 

Is het een mens of is het een dier? En als het een dier is, is het dan een afbeelding van een bestaand dier, of zie ik er toch ook menselijke trekken in? En als het een mens lijkt, wat doet dat gewei daar dan, of die verentooi? En als die dierlijke elementen er niet zijn, zie ik dan wel een echt mens, een volkomen mens? Wat is dat voor een mens die zijn eigen handen moet torsen en zich nauwelijks staande kan houden?

 

Daar kan ik twee dingen over zeggen. Ik moet het idee mens of dier uit mijn hoofd zetten, heb ik besloten. Het zijn wezens. Niet in de zin van ‘creeps’, maar figuren mét een ‘wezen’.

 

Mijn woordenboek zegt over wezen: het werkelijk zijnde, het essentiële, hetgeen een ding maakt tot wat het is. De figuren van Sylvia voldoen aan die definitie: ze drukken een essentieel soort ‘zijn’ uit, een kern, alsof ze de huls van de realiteit hebben afgelegd en alleen het wezenlijke van hun zijn overblijft.

 

En het tweede wat ik daarover wil zeggen is dit: ze zijn extreem kwetsbaar, ze dreigen om te tuimelen, houden zich met moeite staande. Klaarblijkelijk is dat wat Sylvia wezenlijk vindt als ze de kern van het bestaan probeert vorm te geven: kwetsbaarheid.

 

En nu komt iets waarom ik vind dat we hier over goede kunst kunnen spreken. Die kwetsbaarheid van Sylvia’s wezens vertaalt zich in de kwetsbaarheid van haar materialen. Kwetsbaarheid vertaalt zich in breekbaarheid. Loopt u vooral voorzichtig er omheen, houdt u afstand, want het minste of geringste zal deze sculpturen doen breken.

 

Hoewel, sluip er ook voorzichtig naar toe, en probeer naar de huid van deze wezens te kijken. Van veraf tonen ze misschien glad, maar van dichtbij zult u zien dat ze van een zacht soort rulheid zijn, korrelig als het stof van krijt.

 

Ik heb de neiging ze te willen strelen, hun kwetsbaarheid te testen, niet ruw, maar heel voorzichtig. Dan merk je dat die kwetsbaarheid niet glad is, maar van een subtiele opstandigheid, voorzichtig voelbaar met de toppen van je vingers.

 

Als u dat heeft gezien, stap dan vooral weer achteruit, want de wezens van Sylvia bestaan niet zonder de ruimte om hen heen. Sterker: ze hebben ruimte nodig, of nog preciezer, in hun kwetsbaarheid en kleinheid geven ze de ruimte om zich heen dwingend vorm.

 

Ik heb daarbij een misschien wat vreemde associatie. Ik moet bij de wezens in deze expositie denken aan Monument Valley, een bizar landschap van door wind en water geboetseerde rode tafelbergen in het midden-westen van Amerika. U kent het gebied van westerns, of reclamefilmpjes voor Marlboro of foute auto’s. Maar voordat wij er onze eigen mythologie mee vormgaven, werd deze vallei bewoond door de Navaho-indianen. In hun taal heette dit Tsé bíyíntzis gaii, te vertalen als ‘de ruimte tussen de rotsen’. De Navaho benoemden niet de indrukwekkende tafelbergen als het wezenlijke karakter van dat landschap, maar de ruimte om die bergen heen, de leegte ertussen was de essentie.

 

Ik denk dat zoiets ook geldt voor de sculpturen van Sylvia: het is de ruimte die ze om zich heen oproepen die hun wezen uitdrukt. Daarom is het ook zo mooi dat u ze hier kunt zien, in dit eigenzinnige gebouw, die de beelden zo perfect ontvangt. Ze krijgen hier de ruimte die ze nodig hebben, omdat ze hier de leegte zelf kunnen vormgeven. Het bijzondere is dat die leegte zich lijkt te vullen met stilte. Alsof alles een moment tot stilstand komt, onze blik op deze wezens door hen wordt opgeslurpt, de ruis van de wereld in hen verdwijnt en alles om ons heen stilvalt.

 

Eigenlijk zou u hierin uw eentje moeten rondlopen, alleen met de beelden en alleen met de stilte. Komt u vooral daarvoor nog eens terug. En dan kom ik bij mijn laatste observatie. Want waar verdwijnt al die ruis, waar verdwijnt het lawaai van de wereld, hoe komt het dat deze wezens van Sylvia stilte creëren?

 

Daarvoor wil ik kort met u stilstaan bij een heel beroemd gedicht van de Duitse dichter Rainer Maria Rilke. Geen slechte raadgever, want hij was lang de secretaris van August Rodin.

 

Ik zou het gedicht voor Sylvia eigenlijk in het Duits moeten voorlezen, maar het is zo wonderlijk mooi vertaald door Peter Verstegen dat ik het toch maar in het Nederlands aandurf.

 

 

De Panter

Zijn blik is van het lopen langs de stangen
zo moe geworden dat hij niets meer ziet
dan stangen. Stangen houden hem gevangen,
wel duizend stangen, en daarachter niets.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas,
die altijd weer de kleinste kring beschrijft,
is als een dans van kracht rondom een as
waarin een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op -. Dan gaat een beeld erdoor
naar binnen, glijdt door het van spanning stille
lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

 

 

Het gedicht beschrijft de verkleinde wereld van een panter in een dierentuin, hoe hij zijn kringetjes loopt, bekeken door al die mensen achter de stangen van zijn kooi, de stangen die zich voor zijn ogen lijken te verduizendvoudigen.

 

Er is veel gediscussieerd over dit gedicht. Is de panter slachtoffer, of is hij ongenaakbaar en glijdt de pijn van zijn gevangenschap van hem af?

 

Ik geloof niet in één van de twee interpretaties. Voor mij is er in de panter zoals door Rilke opgeroepen sprake van diepe intense pijn, en tegelijkertijd van ongenaakbaarheid, een trotse onaanraakbaarheid.

 

Zo is het volgens mij ook met de wezens van Sylvia. Net als de panter van Rilke dragen ze pijn in zich, echo’s van een ver verdriet. Maar ze zijn ook trots, beheersen de spanning in hun lijf.

 

Of om met Rilke te spreken: het beeld van de wereld verdwijnt achter hun ogen, glijdt door het van spanning stille lijf naar hun hart – en gaat teloor…

 

En dan rest nog slechts de stilte die wij om hen heen ervaren.

 

Sylvia, gefeliciteerd met deze prachtige tentoonstelling.

 

 

21 september 2013